Bij de molen voor ons huis is een brede sloot. Daar kun je heerlijk rustig zitten om vissen te vangen.

“Vissen vangen doe je met een hengel”, vertelt Wiekse.
En met wurmen natuurlijk. Die vinden de vissen lekker. De wurm prik je aan het haakje aan het einde van de visdraad.
Plons! Pally gooit zijn visdraad met haak en dobber in het water.
De dobber drijft op het water. “Als de dobber onder water gaat dan heb je beet”, legt Pally uit. Nu moet hij wachten op een vis.
Al snel springt er een vis boven water. “Blup, blup. Er zit geen wurm aan de haak”, blupt de vis.

Zo vang je nooit een vis Pally. “Dat vind ik niet erg”, denkt Pally.

“Au, au”, roept Wiekse. Het haakje van zijn hengel prikt in zijn billen.
“Ha, ha, wat een grote vis heb je gevangen”, lacht de vis. Wiekse kijkt verschrikt naar zijn broek. Daar zit nu een gaatje in.
Het vissen gaat nog niet zo goed. Pally en Wiekse moeten nog vaak oefenen.

“Vissen is best moeilijk”.
Pally en Wiekse vinden vissen leuk.
Wat vind jij?
